Update(s) III

Ushuaia: ‘el fin del mundo’ roepen ze hier trots. En inderdaad, hier houdt het wel een beetje op.

Het is volop zomer, maar sneeuw, regen en harde wind wisselen elkaar af. Soms weet de zon er een minuut of 10 tussendoor te glippen, maar voordat je je capuchon afgezet hebt, regent het alweer. Nooit lang gelukkig. Daarna is het weer grijs. En winderig.

Bussen vertrekken richting het nationaal park van Vuurland, schepen zetten koers naar Antarctica, vliegtuigen stijgen op met als bestemming Buenos Aires. Ushuaia is een stad om te vertrekken, niet om te blijven.

En dat gaan wij dus ook niet doen. Nog een paar dagen en we gooien de lijnen weer los, verder richting zuiden. Want Ushuaia claimt wel het eind van de wereld te zijn, maar is het niet.

Hoe we in Ushuaia terechtkwamen, lees je vanaf hier. Hoe het verder gaat? Wie zal het zeggen?

 

De gletsjer en de drempel

vrijdag 19 december 2014
“Ik kneep ‘m wel een beetje”, bekent Heinz. “We hadden nog maar 1,8 meter onder de kiel. Op de terugweg moeten we iets meer west varen.” Zeker, zeg ik, maar de GPS-positie uit de pilot klopte wel. “Nou… “, sputtert Heinz.

Je zat te ver naar het oosten, zeg ik. Ik gaf toch aan dat je meer naar bakboord moest? “Oh ja, dat is waar. Ik zal voortaan gewoon naar jou luisteren”, glimlacht Heinz.

De afgelopen nacht lagen we voor anker in een fjord, aan de voet van een gletsjer, in een baai die Beaulieu gedoopt is. Om de fjord in te komen, moesten we over een drempel. De gletsjer stuwt een hoop keien en gruis voor zich uit wanneer hij groeit. Als hij zich terugtrekt, blijft dat aan het uiteinde liggen. En daar vormt het een drempel.

Het probleem met de drempel is dat je ‘m niet ziet. Aan de zijkant van de fjord steken er een paar rotsen boven de waterlijn uit, maar zeker 90% van de keien ligt venijnig onder water.

Slechts een heel klein deel van de drempel is laag genoeg om overheen te varen, de fjord in. Gelukkig staat in de pilot exact op welke GPS-positie dat lage punt zich bevindt. Maar precies op dat punt mikken is zo makkelijk nog niet in stromend water, zonder boeien of andere markeringen.

Voor het zover is, varen we met de zodiak naar de gletsjer. Zeker een kwartier zoeken we onze weg tussen de ijsblokken door, op weg naar een rotspunt waar we aan land kunnen. Vanaf daar willen we naar de gletsjer lopen.

zodiak

ijsbrokken

Onderweg in de zodiak is het koud. De wind snijdt, de sneeuw maakt het allemaal nog een paar graden erger. Maar zodra we uit de rubberboot zijn geklommen, houdt het op met sneeuwen. En al lopend hebben we het binnen de kortste keren warm. Handschoenen kunnen uit, de jas open.

De gletsjer gromt. Alsof er een onweer nadert. We houden stil op een grote rots tegenover de gletsjer. Ineens breekt er een stuk af. De ijsbrokken zakken ineen en zoeken vervolgens hun weg door het water, de fjord uit.

beaulieu

gletsjer

Aan het eind van de middag is het ook voor ons tijd om de fjord uit de varen voor de laatste etappe van deze reis: door het Beagle kanaal naar Ushuaia.

Heinz en ik nemen onze posities weer in. Hij aan het roer met de dieptemeter voor z’n neus, ik aan de kaartentafel met de GPS en de (enorme) atlas van de Chileense wateren (zeer compleet maar alleen leesbaar met een loep).

Na 20 minuten varen zijn we bij de drempel aanbeland. Elke 0,1 mijl plot ik onze positie in de kaart. Puntje voor puntje. Tikkie stuurboord, Heinz. Tikkie stuurboord. Exact op de in de pilot aangegeven GPS-positie passeren we de drempel.

Er gaat een zucht van verlichting door de stuurhut. “Als jij later kapitein bent”, zegt gast Dick, “dan monster ik bij jou aan.” Dat is goed Dick, ik houd je eraan, zeg ik. “Het navigeren over die drempel was wel het huzarenstukje van de reis”, memoreert gast Chris tijdens zijn speech bij het afscheidsetentje in Ushuaia. En dat was het, zeker.

De onderwaterdrempel is blauw op de kaart, het witte stukje daartussen onze doorgang
De onderwaterdrempel is blauw op de kaart, het witte stukje daartussen onze doorgang

Met een touwtje aan de boom

woensdag 17 december

We zeilen tussen de eilanden van Patagonië. Mistflarden, donkergroene berghellingen, grijze rotsen. De wind is kil, de regen snijdt in je gezicht. Het is sprookjesachtig en unheimisch tegelijk. Eilanden doemen op uit de laaghangende bewolking en verdwijnen weer, kort nadat je er langs gevaren bent.

patagonie

Het meest bijzondere is misschien wel de gedachte dat dit gebied niet of nauwelijks veranderd is sinds de eerste ontdekkingsreizigers er naartoe zeilden. Nog altijd woont er niemand, er zijn geen wandelpaden, geen hutten. Niks. Alleen barre wildernis.

In die barre wildernis zochten we een ankerplek. We belandden in een beschutte baai, Punta King. Met harde wind kwamen we binnen varen, maar in de baai was het bladstil. Een goede plek om de westerstorm af te wachten.

Wanneer we een nacht (of langer) in een baai blijven liggen gooien we normaal gesproken alleen een anker uit. Door de wind of stroom gaat het schip langzaam (of sneller) heen en weer achter het anker, maar dat is meestal geen enkel probleem.

Patagonië vergt een andere aanpak. De beste ankerplekken hier zijn smal als parkeerplaatsen en liggen dicht tegen de rotsen aan. Leg je het schip alleen met het anker vast, dan slingert de wind je al snel op de rotsen.

Daarom knopen we het vast aan de bomen. Vier lange lijnen gaan vanaf het middenschip, door de kluisgaten naar de kant. Touw om de boom, paalsteek erin en klaar. Het schip kan geen kant meer op.

Het grootste voordeel van deze methode? We hoeven geen ankerwacht te houden en dus niet midden in de nacht één voor één een uur lang ons bed uit om de zaak in de gaten te houden. Een hele nacht doorslapen, dat is een luxe die ons normaal gesproken alleen in de haven gegund is.

Grote, koude voeten

dinsdag 16 december
Waarom heet het hier eigenlijk Patagonië? ‘Grootvoetigen’ betekent het en zoals veel namen is hij ontstaan uit een misverstand.

Fernando Magelhaen zette hier op 21 oktober 1520 voet aan wal. Daar vond hij enorme voetstappen en concludeerde dat dit het land van de grootvoetigen moest zijn. Wat hij niet wist, is dat de oorspronkelijke bewoners, de Tehuelche-indianen, guanaco-huiden om hun voeten wikkelden en daarmee enorme voetafdrukken achterlieten.

De uiterste punt van Patagonië is Vuurland, een eiland dat door de Straat van Magelhaen gescheiden wordt van de rest van het Zuid-Amerikaanse vasteland. Ook de naam Vuurland is een bedenksel van Magelhaen. Hij zag overal de rookwolken van indiaanse kampvuren. Zij droegen geen kleding maar hielden zich in de gierende kou warm bij de vuren, die ze zelfs in hun kano’s ontstaken.

Vuurland bestaat voor het grootste deel uit wildernis, regenwoud, gletsjers, fjorden, bergpieken en moerassen. Infrastructuur is er nauwelijks, bewoning evenmin. Gast Hub leeft in de veronderstelling dat er in de baaien waar we zullen ankeren nog wel ergens een Mars te krijgen zal zijn. En als hij gaat wandelen, zal hij ons wel bellen of sms’en als hij verdwaalt of opgehaald wil worden, deelt hij mee. We zullen hem maar niet alleen op pad sturen.

Stille Oceaan-wind

maandag 15 december
Om 8 uur ’s avonds gooien we de touwen los in Punta Arenas. Stuurman Maarten blijft op de kade staan, hij moet een vliegtuig halen in Ushuaia en is bang het te missen als hij met ons mee gaat.

Wij varen weg terwijl de zon de wolken en windveren in een lichtroze gloed zet. We hijsen de zeilen en koersen richting het zuidoosten. Na 2 uur varen spotten we een soort fontein verderop in een baai. Heinz vaart erop af. Drie grijze vinvissen zwemmen traag voor ons uit. Zo nu en dan spuiten ze een paar meter boven het water, bollen hun rug, steken de rugvin uit het water en verdwijnen met een sierlijke duik weer onder.

Een half uur lang volgen we de walvissen, dan keren ze om en verdwijnen met een paar slagen in de verte. Wij zetten de motor weer bij en varen verder door de Straat van Magelhaen.

grijze vinvis

Bij het begin van mijn wacht, om 12 uur ’s nachts, is het windstil. Op de oever is de laatste vuurtoren te zien. Voor die paar boten die hier langs varen, heeft men niet de moeite genomen om het vaarwater verderop nog te verlichten. Wanneer de wolken ook het licht van de maan afdekken, is het aarde nacht.

Het hoofdvaarwater buigt af naar het noordwesten, in een rechte lijn richting de Stille Oceaan. Wij willen naar het zuiden, door een smaller en beschutter kanaal. Maar voordat we daar in kunnen, moeten we het brede water doorkruisen waar de zeearm en het kanaal samenkomen. De wind en de stroom komen beide vanaf de Stille Oceaan (die doorgaans helemaal niet zo stil is) in onze richting.

Wanneer ik het roer overgeef aan gast Hub, staat er 22 knopen wind. “Het water wordt merkbaar woeliger”, geef ik hem mee en duik naar binnen om op te warmen. In de stuurhut werp ik opnieuw een blik op de windmeter: 34 knopen. Ik por Heinz die op de bank zit en samen stormen we naar buiten om een rif in het grootzeil en de bezaan te zetten.

Minder dan twee uur geleden was het volkomen windstil, nu zaten we midden in een zware storm met een hevige zeegang en windstoten tot windkracht 8 (40 knp). Zo snel kan het gaan tussen de fjorden, waar de wind soms volledig afgedekt wordt door de bergen, soms gierend door de tunnels gaat die door diezelfde bergen gevormd worden.

Naar Punta Arenas

zondag 14 december
Natuurlijk moest die sleper er wel midden in de nacht op uit om een ander schip op sleeptouw te nemen. Maar gelukkig pas in de derde nacht dat wij aan zijn touw hingen. Keurig belde hij ons een aantal uren van tevoren op. Of we om half vijf ’s nachts paraat wilden staan om onszelf los te knopen.

Zijn vertrek maakte de beslissing voor ons ook een stuk eenvoudiger. Want wanneer besluit je dat de wind voldoende is gaan liggen om verder te gaan? Waar ligt de grens? Vonden we midden op de oceaan 23 knopen al veel, inmiddels waren windsnelheden van 38 knopen heel normaal. De zeilen hadden we gestreken bij 55 knopen, de windmeter registreerde op een zeker moment zelfs 64,8.

Wanneer we losgooien is de wind hooguit nog 6 Bft, zo’n 30 knopen. De zee is minder ruw dan de voorgaande dagen, het tij zit mee. Niets staat ons in de weg om snel door de Straat van Magelhaen naar Punta Arenas te koersen.

Het wordt een bijzonder aangename dag met volop zon en talloze dolfijnen die tikkertje spelen rond het schip. De vloedstroom helpt ons een handje, de ebstroom houdt zich gedeist. De zuidwestenwind is met 25 knopen niet zó sterk dat we er last van hebben. In minder dan 24 uur en met gemiddeld 7,5 mijl per uur zeilen we naar Punta Arenas, onverwacht snel.

 

Voor top en takel – op sleeptouw

donderdag 11 december
Piep, kraak, piep, kraak. Ik lig in bed, half slapend. Buiten draait iemand aan een lier. We gaan scheef. Erg scheef. Te scheef.

Ik kijk het een paar minuten aan, geen zin om uit bed te gaan. Hoeveel zeil en hoeveel wind er staat weet ik niet, maar het is in elk geval te veel. Ik maak het slingerzeil los en probeer m’n bed uit te klimmen. Met één been tegen de muur en m’n handen langs de rand van het bed hijs ik me eruit.

Terwijl ik m’n broek aantrek, trekt Heinz de deur van mijn hut open. “Kom even helpen.” En dicht klapt de deur. Vijf minuten later sta ik in volledige stormuitrusting aan dek. Het grootzeil moet naar beneden, en de bezaan. De fok is al ingepakt.

We hebben 55 knopen wind (11-12 Btf) en gaan voor top en takel verder. Alleen de masten vangen nog wind en stuwen ons samen met de motor richting de kust. Zo dicht mogelijk onder de kust gooien we het anker uit om de storm af te wachten.

Een uur lang proberen we te ankeren, maar het anker houdt niet. De ondergrond is te rotsig. De wind gaat iets liggen en we besluiten verder te varen richting de ingang van de Estrecho Magellanes.

Zo’n straat lijkt een beschutte, overzichtelijke plek. Niets is minder waar. Door de Straat van Magellean waait een onophoudelijke, sterke westenwind. Meestal een knoop of 30-40. Daarbij komt een eb- en vloedstroom van zo’n 2 tot 4 knopen. Vooral dat laatste zorgt ervoor dat we het juiste moment moeten uitkienen om de straat in te gaan.

Als het vloed is, is het te heftig, want dan stroomt het water keihard tegen de wind in. Als het eb is, hebben we wel de stroom en wind tegen, maar is het water in elk geval minder onstuimig. We moeten dus met eb naar binnen. Maar alleen als de ebstroom niet te sterk is, want met 4 knopen stroom (én 40 knopen wind) tegen, komen we niet vooruit.

We stomen verder richting zuiden, de wind gaat op en af, van 25 tot 45 knopen. Op de hoek van de straat bekijken we hoe het ervoor staat. Niet best. Niet geschikt om de bocht om te gaan. We draaien een rondje en keren om, koers 360.

Ondertussen duiken de Commerson dolfijnen en Magellaen pinguïns voortdurend rond ons schip. Ze vermaken zich prima met zo’n grote badeend in hun golfslagbad. Maar vandaag hebben wij weinig oog voor hen. De golven en de windmeter zijn een stuk interessanter.

Dan worden we via de marifoon opgeroepen door een schip. Sleepboot Paraggi ligt iets verderop voor de kust voor anker en biedt aan een touw voor ons uit te gooien, zodat we onze badeend daaraan vast kunnen knopen.

Het idee klinkt aantrekkelijk. Geen gedoe met rotsige zeebodems en onwillige ankers. Een half uur later gooien de slepers een grote oranje bal uit met daaraan een dik touw. Met de pikhaak trekken we de bal aan boord en knopen onze lijn eraan vast. Voorlopig liggen we veilig te dobberen. En nu hopen dat de sleper niet midden in de nacht erop uit moet om iemand anders op sleeptouw te nemen.

Afgemeerd aan sleper Paraggi
Afgemeerd aan sleper Paraggi

De stormfok

dinsdag 9 december
Een wacht aan boord duurt 4 uur. Dat lijkt best kort, maar in die 4 uur kan de zee er compleet anders uit gaan zien. Om 12 uur, bij het begin van mijn wacht, is het vrijwel windstil en heerlijk zonnig, als een frisse winterochtend.

Aan stuur- en bakboord komen talloze dolfijnen aan gezwommen, witte Commerson’s dolfijnen, grijze Bottlenose dolfijnen. Meer dan een uur lang duiken ze langs ons heen. Verderop zitten een stuk of twintig albatrossen op het water uit te rusten. Zwarte stormvogels houden hen gezelschap. Een paar Magelhean pinguïns duiken onder.

Na 2 uur trekt de wind iets aan, naar 5 Bft. Een lekker windje om te zeilen, maar helaas uit de verkeerde hoek. De fok klappert, het grootzeil wiegt heen en weer. Beide helpen ze ons weinig vooruit. De motor, daar moeten we het van hebben.

Maar dan trekt de wind definitief aan: 7 Bft. En de verwachting is dat het nog verder zal toenemen. “We hijsen de stormfok”, zegt Heinz. “Ga de rest maar halen.” Ik storm naar binnen om maat Juul, maat Lars en stuurman Maarten uit hun bed te halen.

“We gaan de stormfok hijsen,” zeg ik, “nu voor het echie.” Dat laatste is een belangrijke toevoeging. Gister zei ik namelijk precies hetzelfde. Het was windkracht 2, geen enkele aanleiding om een stormfok te hijsen. Toch sprongen Lars en Juul meteen in het gelid om het slechtweerzeil tevoorschijn te halen.

Na een dik half uur sjorren en trekken op het voordek hing het kleine driehoekje aan de voorstag. “Nu kan ie weer naar beneden”, zei ik monter. “Wat?” riep Juul uit. “Was dit maar een oefening?”  Inderdaad. Lars keek mij verontwaardigd aan.

We hadden de stormfok een week daarvoor in de haven van Punta del Este als test al even gehesen, maar met windkracht 10 in het vooruitzicht leek het mij geen overbodige luxe om het bij mooi weer op zee nog eens te oefenen. Heinz vond het een goed idee. Ik deelde het Juul en Lars vervolgens mee alsof het een order van de kapitein was. Geen discussie.

Maar nu was het nog geen dag later en gaf de windmeter ruim 45 knopen aan: 10 Bft. We hijsen de stormfok, iedereen weet wat er eerst en laatst moet gebeuren, welk touw waar aan vastgeknoopt moet worden en op welke bolder belegd.

Een half uur later sta ik weer aan het roer. De stormfok staat strak aan de voorstag, het schip duikt de golven in, het water spat in mijn gezicht. De dolfijnen zijn verdwenen, maar deze ruwe zee is minstens zo spectaculair.

woeste zee - stormfok
Woeste zee (en vuile ramen)

 

Dierendag

donderdag 4 december
Soms lijkt de oceaan zo dood als een pier. Er zitten natuurlijk talloze dieren in, maar er gaan dagen voorbij zonder dat we er ook maar één zien. De kans is groot dat dat komt doordat wij de helft van de tijd naar het kompas staan te staren en helemaal niet doorhebben dat er een blauwe vinvis, potvis of dolfijn voorbij komt.

Maar het lijkt deze reis wel alsof het aantal dieren dat we zien op zee evenredig is met het aantal gasten aan boord. Hoe meer gasten, hoe meer mensen die zo nu en dan om zich heen kijken en hoe meer wildlife wij spotten.

Vandaag zwemt een roedel dolfijnen zeker een half uur met ons mee. Als een leger kwamen ze aangezwommen en nu duiken en dansen ze rond het schip. Zelden zag ik zoveel dolfijnen die zo lang bij ons blijven en het schip als hun speelkameraad beschouwen.

dierendag

Wanneer de dolfijnen vertrekken, komen er een paar libellen aanwaaien, samen met een zwerm vliegen. Waar ze vandaan komen, geen idee. We zitten mijlen ver van land.

Gast Chris slaat Darwin erop na. Ook die verbaasde zich in dit gebied over de vele insecten aan boord van de Beagle. ‘Het sneeuwde vlinders’, schrijft ie. Hij was hier nota bene op vrijwel dezelfde dag als wij, maar dan in 1833. Volgens Darwin is het Argentijnse platteland zó dor en droog dat de insecten door de wind de zee op geblazen worden.

En nu liften ze even met ons mee. De libellen die in de touwen hangen is een mooi gezicht; de vliegen in onze kombuis wat minder. Hopen dat het Argentijnse platteland snel wat meer begroeid raakt.

Het knikkerspel

donderdag 4 december
In het hoekje van de salon is een kastje met plastic bekers. Geen wegwerpbekers, maar bekers die kunnen stuiteren. De deur van het kastje gaat honderden keren per dag open. Want we drinken op zee vrijwel altijd uit dit campingservies.

Boven in het kastje liggen de spelletjes. Rummicub, koehandel, triviant en zelfs een frisbee. Maar het spel dat we het vaakst in handen hebben, is het Chinese knikkerspel. Dat spel heeft een vaste plek. En dat komt zeer nauw.

Als het knikkerspel ook maar iets scheef ligt, valt het uit het kastje zodra je de deur open doet. Bij windkracht 8 en een flinke zeegang (maar ook bij minder heftig weer), gaat het geheid een keer over de vloer. Het is al lastig lopen op een rollend schip, maar met een vloer vol knikkers wordt het pas echt gevaarlijk.

“Waarom is dat vreselijke spel eigenlijk aan boord”, vraag ik geïrriteerd aan Heinz, wanneer ik de knikkers weer eens onder de tafel vandaan vis. “Het is een hartstikke leuk spel”, roept ie uit. Maat Juul is het helemaal met hem eens. “Kom, we gaan het meteen doen”, stelt ze voor.

Even later zitten we alle drie uiterst geconcentreerd naar een stuk of dertig knikkers te kijken. Gast Chris loopt langs en wil wat aan Heinz vragen, maar heeft geen schijn van kans. Drie kwartier lang vergt het spel al onze aandacht.

Dan heeft Juul gewonnen, buigt Heinz zich weer over de zeekaarten en duik ik de kombuis in om pepernoten te bakken. Platte pepernoten, zodat die morgen in elk geval niet over de vloer gaan rollen.